Totaal aantal pageviews

dinsdag 26 juni 2012

De kerk en het doolhof

Al dwalend door het Amsterdamse doolhof in het Arnhemse Openluchtmuseum kwam ik een trappetje tegen dat naar een plateau leidde. Boven de talloze heggetjes en dwaalwegen kon ik het Zeeuwse kerkje zien liggen. De kerk als baken in de dwaaltuin die 'maatschappij' heet? Was het maar zo ideaal. Want de uitweg uit het labyrint liep niet naar de kerk, maar naar het restaurant.


De tweede foto laat de mogelijke reden zien. Het is een hele christelijke foto, want we zien er vele kerken op afgebeeld. De één met een traditioneel torentje, de ander moderner met een soort piramidedak. Er zijn bescheiden kerkjes (zelfs een huisgemeente) en er is een Godshuis met een hoge toren die denkt daardoor dichter bij de Almachtige te kunnen komen. Er loopt zelfs een muur tussen een aantal kerken. Kennelijk was daar sprake van een afscheiding.

Een beroemde quote van Nicolien luidt: "Door de vele kerkjes kunnen we God niet meer zien." En ze voegt er dan altijd aan toe: "Als we engelen waren geweest dan hadden we geen kerk nodig om God te prijzen, maar ja we zijn nu eenmaal mensen en mensen houden van kerkjes bouwen, vooral Gereformeerde kerkjes..."

En daar zit het probleem. We bedoelen het best goed, maar we schieten te kort. Toch ben ik er van overtuigd dat God langs de torens en door het metselwerk heenkijkt en dan mensen ziet. Mensen die hopelijk zelf de Kerk vormen.

dinsdag 19 juni 2012

Oranje Wave

Zaterdagmiddag 25 juni 1988. Een grote groep jongens en meisjes van rond de twintig loopt van het evenemententerrein bij Biddinghuizen naar een hal die in de volksmond bekend staat als De Akkerbouw. Ze zijn zomers gekleed en de meesten hebben iets van rood-wit-blauw of oranje aangetrokken. Oranje petje of sjaaltje, ook dat is prima. Eén marcheert er zelfs met de Nederlandse vlag.

WAVE '88. In mijn archief heb ik een stencil-achtige brochure gevonden en alle herinneringen komen weer boven. WAVE '88: later zul je je kleinkinderen oprecht, misschien met een traantje wegpinkend, kunnen zeggen: "Ik was er die eerste! keer al bij ...", vermeldt de inleidende tekst.

Een sportief weekend in de Flevopolder, georganiseerd door de Captainsclub, jongerenonderdeel van de Navigators. Er werd gevoetbald en gevolleybald, er was tijd voor muziek en bezinning en 's avonds barstte de WAVEline los: een uitbundig 'uit-je-dak'- feest dat tot in de kleinste uurtjes voortduurde. Aan slapen deed je in die tijd niet.

Wat de organisatoren natuurlijk niet konden bevroeden was dat die zonovergoten 25ste juni ook de dag werd van de Finale. Maar, ze hadden het er keurig ingeroosterd.

De wedstrijd werd op een groot scherm geprojecteerd. Toeters, vlaggen, gejuich. Ons legendarische elftal tegen de Russen. We leefden in een flow, in een oranje droom en je wist: dit gaat gewoon lukken. Gullit en van Basten. Twee - nul. De Akkerbouw begaf het bijna. Nederland was kampioen.

Van WAVE is later weinig meer vernomen. Hoewel... Captainsclub heet nu LEF en de jaarlijkse weekenden heten Xtreme, vond ik na een korte Google-search.

En het Europees Kampioenschap? Ik ben bang dat het net zo'n once in a lifetime experience is gebleken als WAVE '88.

Maar ik was erbij die eerste keer!

maandag 11 juni 2012

Schaduwlanden

De hel is een grauwe regenachtige stad waar de zon aanstalten maakt onder te gaan. Toch heeft de hel best aantrekkelijke kanten. Materieel gezien kun je er alles krijgen. Denk het en het is er. Een mooi huis? Je verzint het en het staat er! Men is er het liefst alleen, dus als het ergens niet bevalt, verhuizen de helbewoners eenvoudig een stuk verderop waar ze weer nieuwe huizen bedenken. Daardoor heeft de hellestad astronomische afmetingen gekregen: van het centrum naar de buitenwijken is het al gauw enkele lichtjaren. Een stad van verlatenheid en leegte.

Er wordt een busexcursie naar de hemel georganiseerd. Er zijn er maar weinig voor te porren en de mensen die er komen, ontdekken dat ze zwakke schimmen zijn in een hyperrealistische wereld waar de zon op het punt staat op te komen. Het landschap is weliswaar adembenemend mooi, het gras is er echter zo hard als staal en waterdruppels zijn  als kiezelsteentjes. Blinkende geesten komen de schimmen liefdevol tegemoet, maar de helbewoners vertrouwen de wezens niet.

Het was alweer een tijdje geleden dat ik De Grote Scheiding van C.S. Lewis had gelezen, dus een herlezing fascineerde me beslist.
De vraag die opduikt: is er daadwerkelijk een weg van de hel naar de hemel? Is de hel dan toch niet definitief? Een Stevige Geest (bij leven een predikant) legt aan de ik-persoon uit dat je na je dood in schaduwlanden terechtkomt. Het Schaduwland des Doods is nog niet definitief de hel en het Schaduwland des Levens is nog niet definitief de hemel. Als in de hemel de Grote Morgen aanbreekt zal dat voor de hel de Grote Nacht zijn.

Het boek maakte bij mij de beklemmende realiteit los dat hemel of hel een eigen keuze van de mens is. Daarbij is die hel op het eerste gezicht nou ook weer niet hondsberoerd. Mogelijk houd je het er nog wel een tijdje uit, maar daardoor ontgaat je het zicht op de onvoorstelbare Werkelijkheid van de hemel. Geloof je ook daadwerkelijk dat het Schaduwland des Levens te vertrouwen is? Het is als met een grote overstroming: pak ik ook echt die touwladder die uit de helikopter hangt en die mij naar een droge plaats zal voeren? Of denk ik dat ik uiteindelijk mijzelf wel kan redden?

Lewis zet je behoorlijk aan het denken.

(De Grote Scheiding: een droom / C.S. Lewis, 1946, 112 p.)

dinsdag 5 juni 2012

Rode dennenboom

Diep paars, soms wit met een zweempje roze, dan weer vlammend rood... Het is weer rododendron-tijd. De foto's zijn genomen in het Arnhemse Sonsbeek-park en Zypendaal waar we vorige week de gebloemde struikachtigen zagen schitteren onder een hete Pinksterzon.


Ik weet dat mijn moeder ze ook heel bijzonder vond, maar als kind verstond ik de naam niet goed en maakte er "rode dennenboom" van. Ik vond ze wel helemaal niet op dennenbomen lijken, maar goed, als kind begrijp je wel meer dingen niet. Ik kwam er achter dat het rododendrons waren door het liedje van Tol Hansse dat destijds even een tophit werd: 'Achter de rododendron zat Mien in haar nachtjapon'. Een merkwaardig liedje was het wel. In het tweede couplet zat ze er in haar trouwjapon en tijdens vers drie bevond ze zich zelfs zonder japon achter de rododendron.


Later fantaseerde ik dat ik een Middeleeuwse ridder was die in een groot kasteel woonde met een landgoed er omheen vol met rododendrons. Daar zou ik dan wandelen met de mooiste prinses van mijn dromen. Helaas, in werkelijkheid zou de kleurrijke heester pas in 1680 in Nederland worden geïntroduceerd. In de Middeleeuwen waren ze hier helemaal nog niet. Natuurlijk wel in de Himalaya en in het Japanse en Koreaanse bergland waar ze oorspronkelijk vandaan komen.

Het blijven prachtige, ietwat exotisch aandoende planten. En ze geven een roze-paars-rood tintje aan het voorjaar.

vrijdag 25 mei 2012

Help! Mijn kind gelooft...

Hij had zijn best gedaan om het zijn kinderen mee te geven: heb respect voor religie, maar uiteindelijk kun je alleen in jezelf geloven. Niemand anders kan je redden: als het erop aankomt moet je het zelf doen en dat kun je alleen als je het beste bij je zelf naar boven haalt.
Echter, als je kinderen volwassen worden, gaan ze vaak hun eigen weg en nemen ze niet zomaar alles meer aan. Zijn dochter bijvoorbeeld. Ze vindt dat je wel in jezelf kunt geloven, maar dat dat alleen via God kan. Bovendien: enkel Jezus kan je redden. Hij haalt het beste bij je naar boven.

Fundamentalistisch EO-gezwets, vond hij het. Sinds ze haar man had leren kennen, is hij haar steeds minder gaan begrijpen. Ze is christelijk geworden en gaat elke zondag naar de kerk. En in plaats dat ze eerst gezellig gingen samenwonen, zijn ze direct getrouwd. Dat is nu alweer zo'n vijftien jaar geleden.
En toch... Hij voelde een brok in zijn keel toen zijn dochter zich samen met haar kind liet dopen. Later zouden er nog twee doopfeesten volgen, maar ook een uitvaart van een pasgeboren kind. Hij zou helemaal gek geworden zijn van verdriet, maar zij putte - door haar tranen heen - troost uit haar geloof.

Misschien kwam het ook wel door zijn tweede vrouw. Die reis naar Rusland. Al die opgeknapte kerken en kloosters met die prachtige iconen. Ze zei: "Hoe is het mogelijk, in een land dat ooit het atheïsme propageerde."

Laatst vroeg hij aan zijn dochter: "Hoe zit het nou, jij komt later in de hemel en ik mag naar de hel omdat ik niet geloof?"
"Pa", antwoordde ze. "Als u echt in de hel zou komen en ik in de hemel, zou ik aan Petrus vragen of ik naar de hel zou mogen gaan om u te troosten. Eigenlijk is zoiets al gebeurd door iemand anders. Toen Jezus aan het kruis stierf, daalde Hij af naar de hel om mensen te zoeken die zichzelf proberen te redden. Hij wil namelijk dat niemand de weg kwijtraakt. U moet dat natuurlijk wel geloven, pap. Ik zeg dat nu al vijftien jaar tegen u."

Hij kreeg er tranen van in zijn ogen. Dacht bij zichzelf: ik ben begin zeventig, gepensioneerd wetenschapper, artikelen geschreven, op symposia gesproken, maar van het christendom weet ik maar weinig af.
Dus zei hij tegen zijn dochter: "Ik wil er nou verdorie meer van weten ook. Heb je niet wat boeken voor me. Niet van die simpele bekeringsverhaaltjes, hoor."

Een stapeltje boeken ligt voor hem. Gregory & Edward Boyd: Brieven van een scepticus; Ben Hobrink:  Moderne wetenschap in de Bijbel. Beslist geen simpele boeken. En natuurlijk de Bijbel zelf. In september gaat hij met zijn vrouw naar een Alpha-cursus, een soort kennismaking met het christelijk geloof. Het zal hem benieuwen.

"Wouw, dat is pas Pinksteren! De Geest waait maar door, zelfs van jou naar jouw pa,"  riep Nicolien uit toen haar vriendin Stefanie had vertelt over haar vader.

zaterdag 19 mei 2012

Hemel op aarde

De kalme golven van een diepblauwe oceaan rollen teder op het parelwitte zandstrand. Palmbomen wiegen zachtjes in de wind. De zon schijnt er van opgang tot ondergang. Op de achtergrond speelt een Caribisch orkestje. Knappe dames en stoere heren geven jou mixdrankjes en tropische fruitcocktails te drinken. In Hotel Paradise beleef je de hemel op aarde. All inclusive.
Maar zelfs dit paradijs gaat vervelen. Op een dag wil je weten waar die kleine bouwvallige huisjes voor dienen achter dat palmenbosje. Prikkeldraad verspert je de toegang, maar je kunt nog net zien dat het de slaapvertrekken zijn voor het personeel.

                                        
En als je wilt snorkelen vertelt het excursiebureau jou doodleuk dat dat buiten de all inclusive regeling valt. Een uurtje varen met de boot. Eerst even dokken: in dollar uiteraard. "Maar dat koraalrif dichtbij," probeer je nog. "Ach, mijnheer, da's allang morsdood."

De hemel op aarde valt vaak tegen. De mooie verre paradijzen... vaak zijn het oorlogslanden, vervuilde landen, hongerloontjeslanden, kinderprostitutielanden. En als de mens zegt dat hij de hemel op aarde kan realiseren, moet je al helemaal argwaan krijgen. Voor je het weet moeten er muren om de heilstaat heen, marcheren er laarzen en rollen er  tanks. En de hemel is ook niet te koop. Er kunnen geen hemelse aandelen worden verhandeld op Wallstreet.

Soms zijn er wel flitsen van het paradijs. Een vallei in Yosemite National Park, Californië, onder een blauwe meihemel, zeven jaar geleden. Bruisende watervallen, een diepgroen woud. Best mogelijk dat de hemel er zo uitziet, dacht ik toen.
De eerste ontluikende bloesemknoppen, zingende vogels... ook dat zijn kleine flitsen van een mogelijke hemel, maar meer ook niet.

In Openbaring 21 schrijft Johannes over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Gods woonplaats zal onder de mensen zijn. Dan wordt het echt de hemel op aarde. Voor altijd all inclusive.

zaterdag 12 mei 2012

De veertiende mei

De zon ging stralend op. Het was een prachtige dag, en zo rustig. Je zou niet zeggen dat het oorlog was. De hele morgen was het rustig, je hoorde geen vliegtuig, zelfs geen schot.

Dit hierboven zijn de eerste regels die mijn moeder in haar dagboek schreef onder het opschrift Dinsdag 14 Mei 1940. Ze was toen 14 jaar.
Het moet inderdaad een prachtige wolkenloze meidag zijn geweest. Rotterdam haalde weer adem na een aantal zeer onrustige dagen. Toen op vrijdag 10 mei de oorlog uitbrak logeerde er toevallig net een tante uit Scheveningen bij het gezin in Kralingen. De radio berichtte over Duitse vliegbewegingen boven Nederland, maar dat hadden ze zelf ook al gehoord. De tante wilde terug, maar er reden geen treinen meer.


Straten werden afgezet. Rond de Maasoevers vonden heftige schotenwisselingen plaats. Regelmatig was er luchtalarm. Er heerste angst en ongeloof. Op zondag 12 mei (eerste Pinksterdag) was het niet mogelijk om naar de kerk te gaan; op straat was het veel te gevaarlijk. Het Maasstation brandde, de Marinierskazerne was gebombardeerd. De dag daarop kreeg de oom uit Scheveningen het toch voor elkaar om tante op te halen per tandem. Op de veertiende mei leek de rust te zijn teruggekeerd.
Ze waren 's ochtends nog even buiten geweest. Ze wilden tussen de middag net een boterham eten toen toch weer dat luchtalarm afging. Mijn oma at terstond niets meer, maar mijn moeder had honger en nam twee boterhammen mee. Ze stonden onderaan de trap van hun bovenwoning. Ze hoorden knallen die steeds dichterbij leken te komen. Een soort van machinaal gehuil weerklonk boven de stad. En toen het inferno. Hun huis schudde op een manier dat ze nooit voor mogelijk hadden gehouden. Rookwolken in de straat. Overal het geluid van instortende huizen en glasgerinkel. Gillende en huilende mensen die voorbij renden. Geschreeuw: "De Oostzeedijk staat in brand!"

Wat moet er op dat helse ogenblik door mijn moeder zijn heengegaan. Een gevoel dat je wereld instort in de meest letterlijke zin. Dat niets er meer toe doet, behalve je eigen leven en dat van je dierbaren.
"Jullie moeten bidden," zei mijn oma.
"Dat doe ik al, maar het helpt niet," reageerde mijn moeders jongste broertje.

Meer dan een kwartier stonden ze daar met een deken onder de arm, dicht tegen elkaar. Biddend, smekend dat het ophouden mocht. De laatste klap was zo oorverdovend dat mijn moeder hem nooit meer zou vergeten. Achteraf bleek er een blindganger op het balkon te zijn gevallen waardoor slechts het keukenraam aan diggelen ging. Als het een voltreffer was geweest had mijn moeder het niet overleefd en had ik nooit bestaan.

Rotterdam brandde. Bluswater was er niet meer. Hoewel het huis niet was verwoest, dreigde het nu ten prooi te vallen aan een ongetemde vuurzee, dus moesten ze vluchten. Ze zijn naar Hillegersberg gelopen waar ze konden overnachten bij kennissen van hun buren. De dag daarop bleek het huis er nog te staan, maar de buurt was onherkenbaar geworden. Mijn moeder schrijft: Van de Lusthofstraat was niets meer over. Die mooie winkelstraat. Een heel klein stukje stond er nog.

Hoe heeft mijn moeder dit ooit verwerkt? Telkens als er vliegtuigen laag overvlogen, sirenes afgingen en er een zwaar onweer overtrok zou de angst bij haar weer bovenkomen. Haar leven lang. Maar ze heeft er veel over gepraat en het gedetailleerd opgeschreven. Zo zijn haar ervaringen bewaard gebleven. Opdat het bombardement van Rotterdam op die veertiende mei nooit zal worden vergeten.