Totaal aantal pageviews

dinsdag 19 mei 2015

Het afwasmiddel groeit tegen de muur


Dat je eigenlijk nooit naar de supermarkt hoeft omdat alles wat je nodig hebt om je heen groeit, was mij wel bekend. Zevenblad, paardensla, smalle weegbree, veel is te eten. Je hebt er alleen een dagtaak aan om je kost bij elkaar te verzamelen, als dat al voldoende is.
In de krant Metro las ik over Arjan Postma die rondom Amsterdam aan het survivallen was. Hij vertelde enthousiast over klimop. Niet dat je dat kunt eten, maar je kunt er afwasmiddel van maken.

 

Afwasmiddel? Ik weet wel dat de klimop welig tierde tegen de bijkeukenmuur van mijn ouderlijk huis. Tijdens een verjaardag zei een tante tegen ons:
“Joh, die klimop verrinneweert je muur. Dat moet je weghalen.” En ze begon al aan de twijgen te trekken. Maar mijn moeder greep in:
“Ik vind het juist romantisch, een muur met klimop.

 
 

Ik heb dus nooit geweten dat er afwasmiddel tegen de bijkeuken groeide en ik besloot het zelf te gaan testen, want naast onze keuken groeit deze klimplant ook. Enkele blaadjes plukken, een pannetje met water op het vuur en de klimop koken. Ik verwachte dat het zou schuimen, maar de bladeren leken totaal niet te gaan slinken. Geen wonder dat het spul in ieder geval niet eetbaar is.
 
Na een tijdje deed ik het gas uit en goot de boel door een zeef. Ik had nu een groene vloeistof die wel wat weg had van afwasmiddel of shampoo. Tijdens het afwassen bleek het sap van onze klimplant inderdaad flink te ontvetten. Een vuile wok werd brandschoon.
Later las ik op internet dat je de klimopbladeren beter door een blender kunt halen en dan koken.

Ik vrees dat de afwasmiddelenfabrikant een andere baan moet gaan zoeken. Klimopkweker lijkt me een passende vervanging.

 

woensdag 13 mei 2015

Hemelvaartsgedachte


“Christenen spelen vals,” hoorde ik een keer iemand zeggen. “Ze beweren dat Jezus uit de dood is opgestaan, maar uiteindelijk vertrok Hij toch naar de hemel.”
Het was meer een grappig bedoelde opmerking, maar de quote liet me niet los.

De leerlingen van Jezus hadden het liefst het leven met Hem op de oude voet voortgezet, maar dat kon niet meer. Jezus’ lichaam was niet meer ouderwets Aards. Beslist geen geest, Hij at een vis voor de ogen van de discipelen op, maar Hij was wel over de dood heengestapt.
 

Ik heb Hemelvaart ooit eens zo horen uitleggen. Een predikant kan in een kerk wel een prachtige preek houden, maar dat reikt niet verder dan de kerkgangers. De dominee kan beter bovenop de kerktoren gaan staan en zijn preek met een megafoon over de hele stad uitbazuinen. Dan kan iedereen het horen.
(In Ethiopië maakte ik dat trouwens echt mee. De hele nacht gebeden en lezingen die via luidsprekers in de hele stad te horen waren.)

Het voorbeeld is duidelijk. De Goede Boodschap kon niet langer beperkt blijven tot Israël. Jezus moest Zijn geboortegrond wel verlaten om met Pinksteren Zijn Geest uit te storten op iedereen. Daarom kan Hemelvaart ook niet los worden gezien van Pinksteren. Het is niet goed om te blijven hangen bij Goede Vrijdag; het werd immers Pasen. Het is ook niet goed om te blijven aarzelen bij Hemelvaart; het wordt namelijk Pinksteren!

Of zoals een oud kerklied het zegt (Lied 234 van het Liedboek voor de Kerken 1973):

 

Al heeft Hij ons verlaten,

Hij laat ons nooit alleen.

Wat wij in Hem bezaten

is altijd om ons heen

als zonlicht om de bloemen

een moeder om haar kind

Teveel om op te noemen

zijn wij door Hem bemind.

 

 

Prettige Hemelvaartsdag en een gezegend Pinksteren!

dinsdag 5 mei 2015

Zaterdag 5 mei 1945: een snertdag


Oranje

Die zaterdagochtend had ze – voordat ze naar haar werk ging - oranje versieringen in haar tas gestopt voor het geval dat. Wel een beetje onderin, want je zag nog overal Duitsers.
Aan het einde van de tunnel (was het de Statentunnel?) merkte ze dat het goed mis was. Duitse militairen stonden te controleren. Ze keken tassen na. Niet van iedereen; ze pikten er af en toe iemand uit. Met bonkende keel is ze langs het checkpoint gelopen. Zij werd er niet tussenuit gehaald.
Als ze wel was gecontroleerd en ze hadden het oranje in haar tas gevonden, was ze waarschijnlijk afgevoerd en doodgeschoten. Dan had ik dit blog niet kunnen schrijven, dan had ik nooit bestaan…
 
 

Geen vlag zag je nog

Het was zaterdag de vijfde mei 1945. De Rotterdammers snakten naar vrede. De Hongerwinter had er ingehakt. Mijn oma en opa, mijn moeder en haar twee broers moesten het op een gegeven moment per week doen met: 3 ons vlees, 1 kilo aardappelen, een half brood en 3 kilo suikerbieten. Geen wonder dat ook aardappelschillen en tulpenbollen werden geconsumeerd. “Varkensvoer” schreef mijn moeder in haar dagboek.

Uit dat dagboek haalde ik meer informatie over die vijfde mei:

Het is een snertdag geworden, die zaterdag. Je verwachtte iedere keer wat en er gebeurde niets: geen vlag zag je nog.

Pas op zondag 6 mei omstreeks 10 uur in de morgen werd er geroepen: “Oranje boven, leve de koningin! Het is vrede, steek de vlaggen uit!”

Veel moffen droegen nog wapens, de ondergrondse hield ze wel in bedwang totdat de Canadezen zouden komen.

 
Chaos en euforie

Het was voor mij opvallend om te lezen dat ‘Vijf Mei’ in Rotterdam nog helemaal niet feestelijk was. Nagezocht op de website van het Rotterdamse Gemeentearchief en inderdaad. De Duitse troepen wilden zich niet overgeven aan de NBS, de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, maar aan de Geallieerden. Er vonden nog schietpartijen en executies plaats.
Er heerste naast euforie vooral chaos en verwarring.

Pas na 6 mei begonnen de feesten en het grootschalig vlagvertoon, maar ook de afrekeningen. Huizen van landverraders werden geplunderd, huisraad in brand gestoken. ‘Moffenmeiden’ werden er bij gesleept. Hoe keek mijn moeder daar tegenaan?

Op 21 mei 1945 schreef ze:

Meiden die met Duitsers liepen daarvan werd het haar er af geknipt en met rode menie schilderden ze hakenkruizen op hun hoofd. En er werd bij gezongen:

Kale kop, kale kop
Met een hakenkruis er bovenop

Helemaal goedkeuren kan ik het niet. Het is een erg griezelig gezicht. Maar hun verdiende loon is het wel.

Mijn moeder kan niet meer vertellen over de oorlog, maar haar schrijven spreekt boekdelen.

 

 

 

dinsdag 28 april 2015

Het links-activistische milieu van De Woongroep


Na de succesvolle roman Dorsvloer vol confetti van Franca Treur, was ik nieuwsgierig naar haar tweede boek: De Woongroep.

Het Zeeuwse platteland heeft plaatsgemaakt voor Amsterdam, ook de personages en het milieu waarin zij opgroeiden zijn helemaal anders.
Na een wat moeizaam begin, begon het verhaal mij te pakken.

Elenoor Jansen heeft een aardige baan als content-manager. Maar, in haar knaagt een zeurend ‘is dit alles?-gevoel’. Haar vriend Erik ziet dat niet zo. Het liefst zou hij met haar gaan samenwonen en een gewoon ‘huisje-boompje-beestje leven’ willen leiden.
 
 

Elenoor kiest echter voor een idealistische woongroep in een voormalig weeshuis in Amsterdam-Oost. We maken kennis met de bewoners die allemaal iets links-activistisch hebben en zo is er alsnog een link te leggen met Treurs vorige boek. Want was het in het bevindelijk gereformeerde milieu bijvoorbeeld een doodzonde om naar de kermis te gaan, in de Woongroep is het not done om vlees in je koelkast te bewaren. Voedsel dien je uit de vuilcontainer van de supermarkt op te diepen. Bijna bedorven misschien, maar best nog te eten. Tijdens een niet-winkel demonstratie moet het publiek ervan worden overtuigd vandaag niet te consumeren. Iedereen die veel geld heeft, is een kapitalist. Politiemensen zijn fascisten en nazi’s.

De Woongroep maakt duidelijk dat elk milieu en elke levensovertuiging zo zijn ‘regels’ en conventies heeft.
Je merkt dat het Elenoor wel fascineert, maar dat ze toch haar bedenkingen heeft als het idealisme te veel doorschiet naar fanatisme.

Vanaf pakweg de tweede helft van de roman, neemt de spanning toe door allerlei verwachte en onverwachte verwikkelingen.
Treur heeft een beeldende schrijfstijl met veel innerlijke monologen waardoor je je niet alleen met de hoofdpersoon identificeert, maar haar bènt.

De Woongroep biedt een aardig kijkje in de keuken van het idealistische en activistische milieu van deze tijd.

 
De Woongroep / Franca Treur, Prometheus

maandag 20 april 2015

Muizen en speelgoedkatten


Op een avond sloop er iets over het laminaat richting plint. In het schemerlicht zag ik dat het klein en grijs was. Ik maakte expres wat lawaai en toen schoot het weg achter een kast.

Het deed me denken aan mijn ouderlijk huis. Daar hadden we regelmatig last van de kleine knaagdiertjes. Ze kwamen af op de balen stro en de voedselvoorraad voor de konijnen, maar drongen ook regelmatig het huis binnen, tot de slaapkamer aan toe.
Als kind vond ik het maar niks; je schrok er zo van. Mijn moeder vreesde een plundering van de voorraadkast. Dus mijn vader stopte gaten dicht en strooide giftige korrels, zette muizenvallen neer op strategische plaatsen.

Kluklu (links) en Lakemouw
 

Het hielp maar mondjesmaat. Misschien dat mijn twee speelgoedkatjes hielpen. De plastic poesjes zette ik dus als afschrikking neer op de vloer. Lakemouw en Kluklu heetten ze. In mijn kleuterbrein had ik Kluklu genoemd naar de Indiaan in Pipo de Clown en de naam Lakemouw was de combinatie van witte lakens en overhemdsmouwen met het gemiauw van een kat.
De muizen uit mijn ouderlijk huis moesten alleen maar lachen om die plastic vijanden.

Anno 2015 heb ik Lakemouw en Kluklu maar niet meer neergezet. Ze bestaan nog steeds en zijn zo onderhand persoonlijk cultureel erfgoed geworden, maar in je kinderlijkheid moet je niet blijven hangen.
Lokdoosjes met giftige tarwe had ik wel neergelegd, maar onze intelligente muis haalde zijn of haar neus er voor op.
“Dierenbeul,” had iemand gezegd. “Je kunt beter muizenvallen plaatsen, dan is het ‘tjak’ in één keer gebeurd, dan dat langzaam werkende gif”.

Dé oplossing was vrij eenvoudig: stop alle gaten in de plinten en langs verwarmingsbuizen dicht. Eén keer hoorde ik nog woedend gekrabbel en geknaag onder mijn voeten. Daarna werd het stil.
De muis had de aftocht geblazen.
Opvallend: sinds die tijd patrouilleert er een zwerfkat rond het huis.
Een echte.

dinsdag 14 april 2015

Christenen in de 21ste eeuw: achterblijvers of voorlopers?


Televisie? Het oog van de duivel.
Internet? Allerlei vuiligheid via een draadje of draadloos, bezoedelt de christelijke gezinnen.
Facebook: veel vrienden, weinig menselijke contacten. Twitter: iedereen schreeuwt maar wat. Linkedin: de grote carrière-show. Instagram: veel plaatjes, weinig praatjes. Tinder: één grote vleeskeuring…
En de kerken? Ze lopen leeg en worden zelfs gesloopt. De laatste kerkganger mag het licht uit doen.


 
De zon schijnt altijd op FB

Het afgelopen Vriendenweekend in Beekbergen had als thema: Christen@2015: Laatste der Mohikanen of Voorloper?

David Sies, baptistenpredikant in Harderwijk, sprak over social media. Bedreiging nummer zoveel voor christenen, of juist een uitdaging? De ontwikkelingen gaan razendsnel, hoe ga je als christen daarmee om? De valkuilen zijn er zeker: de voortdurende behoefte om zoveel mogelijk likes of volgers te krijgen: het verlangen naar bevestiging, erkenning. De zon schijnt altijd op Facebook, in real life loop je door de regen.

Maar er zijn genoeg uitdagingen en kansen: door de social media kunnen we ons eigen verhaal met God vertellen, er zijn nieuwe manieren om gemeenschappen te vormen en via crowdfunding kunnen we zomaar in no time een goed doel verwezenlijken.
 

Laatste der Mohikanen

De tweede spreker was professor Roel Kuiper, bijzonder hoogleraar aan o.a. de Theologische Universiteit Kampen, tevens Eerste Kamerlid voor de ChristenUnie.

De secularisatie grijpt om ons heen. Een christelijk fenomeen als de zondagsrust, is allang geen gemeengoed meer. Hoe reageer je daar op? Huil je met de wolven mee en denk je: wij zijn de laatste der Mohikanen? Verschans je je achter starre principes? Of ontdek je nieuwe mogelijkheden? Want niet iedereen buiten de kerk is van God of Jezus los.
 

Laat Babel bloeien

Twee Bijbelgedeelten kwamen dit weekend naar voren:
Psalm 137. De ballingen zaten te jammeren aan Babels rivieren. Verlangen naar de goede oude tijd.
Daar tegenover staat Jeremia 29. De profeet schrijft een brief aan de ballingen en roept op niet bij de pakken neer te zitten. Bouw huizen en leg tuinen aan. Trouw met elkaar en krijg kinderen. Bid voor Babel en zet je in voor haar bloei.

Je bent niet van de wereld, maar je bent wel in de wereld. Dus bid voor die wereld en zet je er voor in. Laat de wereld bloeien.
De boodschap voor christenen @2015.

dinsdag 7 april 2015

Geesten eten geen vis


Gemeente, het is vandaag Pasen. Een sprakeloos feest. Dus ga ik er vanochtend een beetje om heen draaien en er eigenlijk niets van zeggen.

 
Aldus een predikant jaren geleden. Het was de kortste preek die ik ooit heb gehoord. Pasen is ook om sprakeloos van te worden, maar ja, om er dan helemaal niets van te zeggen?

Misschien toch beter dan eindeloze verhandelingen over wat het nu geweest kan zijn, die verschijningen van Jezus. Een geest? Waren het hele tastbare liefdevolle herinneringen aan een bijzonder figuur? Een lichamelijke opstanding is voor velen een brug te ver.

Maar in de Bijbel staan nu juist verhalen waarin Jezus’ optreden toch behoorlijk lichamelijk wordt beschreven. In Lucas 24 wandelt Jezus mee met twee leerlingen die op weg gaan naar het dorp Emmaüs. Door verdriet overmand zien ze niet dat de man die meeloopt Jezus is. Pas als Hij met ze eet en het brood breekt, herkennen ze Hem.

Later verschijnt Hij aan de rest van de leerlingen en eet voor hun ogen een vis op. (Lucas 24: 43). Jezus verschijnt wel in kamers met gesloten deuren, maar geesten eten geen vis. Hier is meer aan de hand: Jezus is de dood de baas, maar is ook niet meer dezelfde als voorheen. De Opstanding is geen terugval naar het gewone leven, maar een stap naar een volmaakt leven en wij allemaal mogen met Hem mee gaan.

Als er geen Opstanding zou zijn geweest, was Jezus slechts een martelaar. Dan was het een eindeloos treuren over hoe mooi het vroeger was. Maar wie teveel omkijkt wordt een zoutpilaar en in ruïnes kun je niet wonen.

Pasen is een sprakeloos feest, maar er valt wel wat over te zeggen.