Totaal aantal pageviews

Posts tonen met het label jeugd. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jeugd. Alle posts tonen

zondag 21 februari 2016

De dood van een warenhuis


Met mijn moeder mee boodschappen doen. Als kind ging ik dan naar het buurtwinkeltje aan het Jaagpad waar de pakken en blikjes keurig geordend op de schappen stonden.

In de dichtstbijzijnde woonwijk had je de slager (waar ik een plakje worst kreeg), de drogist (dropje), kruidenier (blokje kaas) en de bakker (met een beetje mazzel een hele eierkoek). Had je kleding nodig dan ging je naar de kledingwinkel in de Delftse binnenstad. Voor gereedschap had je een zaak die van onder tot boven opgetast lag met allerhande schroevendraaiers, spijkers, moeren en wat al niet meer.

 



Op een dag mocht ik mee naar het warenhuis. Tientallen winkels in één. Een glimmend paleis met roltrappen en oneindig veel spullen. ‘Vroom en Dreesman,’ zei mijn vader. En het kon nog veel groter. In Den Haag en Rotterdam had je mega-warenhuizen: ook de V&D en de Bijenkorf.



V&D is niet meer. Toch kwam ik er nog regelmatig. Het lag op de route en het was makkelijk. Mijn laatste aankoop was afgelopen najaar. Een zwaar afgeprijsde winterjas. Binnen een week zat er een gat in de voering, na een maand begaf de ritssluiting het. Een veeg teken.

Een ambachtelijk zaakje heeft de jas weer opgelapt, het warenhuis is dood. Misschien gaan de kleine winkeltjes het weer overnemen. De slager met het plakje worst voor de kinderen, de drogist met dropjes. Een plaatselijke kledingwinkel, een ijzerwarenzaak met moeren en spijkers.

Wie weet.

vrijdag 30 oktober 2015

Ik steeg omhoog en overzag mijn jeugd

Ik steeg omhoog en overzag mijn jeugd.
Als ik in Rotterdam zou zijn geboren had ik de Euromast beklommen, zou ik Amsterdammer zijn geweest, nam ik de toren van de Oude Wester. Groningen: de Martinitoren. Maar mijn jeugd bracht ik door in Delft, dus beklom ik afgelopen dinsdag met mijn zus de toren van de Nieuwe Kerk in Delft.
Je moet geen last hebben van claustrofobie vanwege de smalle wenteltrap in een krappe torenschacht en vooral geen hoogtevrees hebben. Maar eenmaal boven ligt mijn jeugd aan mijn voeten.
 
Grachtjes en smalle straatjes. De wereld is veranderd in lilliputter-formaat en heeft iets grappigs.
In het noorden de gebouwen die vroeger hoorden bij de Gist- en Spiritusfabriek. Het bekende ‘Delftse luchtje’. Daarachter een groen vlak. Ergens moet daar ’t Haantje zijn waar ik met mijn ouders en zus woonde en mijn eerste stapjes zette.  
In het noordwesten lag de werkgelegenheid van mijn vader: de kassen van Sion. De glazen huizen worden vervangen door een woonwijk, gelet op de ragfijne hijskraantjes die nog net zijn te ontwaren. Wat kwam ik vaak in de moestuin. Ik kweekte er mijn eigen groenten: tuinkers (simpel), schorseneren (de halve tuin ondersteboven spitten om de pennen te oogsten).
Westelijk is het nevelig. Ook mijn lagere school, de Prinses Irene School is in de nevel van de tijd verdwenen, want het gebouw bestaat niet meer. Wat zou er van de school-schildpad geworden zijn? Deze trage reptielen kunnen oud worden, dat wel. Het Christelijk Lyceum Delft is er nog wel, maar door die heiigheid niet goed te zien. De school waar ik tussen 1985 en 1987 op de havo zat en waar het schoolreisje naar Turkije ging.
 
Wel kan ik een vormpje ontdekken tussen de herfstige bomen: de Hofkerk met daarachter de Lindenhof. Het verzorgingshuis waar mijn ouders de laatste jaren van hun leven hebben doorgebracht.
Het Westerkwartier ligt eigenlijk al bijna op de voorgrond. Komisch, al die kleine dakjes. De Buitenwatersloot is vanaf hier inderdaad een slootje. Hier ging ik naar de mavo en was ik voor het eerst verliefd.
Een blik naar beneden in zuidelijke richting en je ziet de Breestraat waar ik menig avond doorbracht in Café Parlé, de koffiebar van de Youth for Christ. Bijbelstudies en verhitte discussies over jodendom en christendom. Totdat het Stichtingsbestuur eens poolshoogte kwam nemen. Judaïseerden wij niet te veel?
Zuidoost: Rotterdam, de geboortestad van mijn moeder, is slechts vaag zichtbaar.
De geel-blauwe gevel van de Ikea bij de A13 schittert in de oktoberzon. Toen ik zelfstandig ging wonen kocht ik veel tweedehands meubelen en vulde dat aan met bijvoorbeeld de Billy boekenkast van de Zweedse meubelgigant.
 
In het oosten is het beeld het scherpst. De bomen van de Delftse Hout zorgen voor een prachtige groen-rood-gele zoom van de Delftse bebouwing. Menig voetstap en fietsbandenspoor liggen er van mij. Beestjes kijken in het Hertenkamp, een duik in de plas.
Nog verder zie je nieuw aangeplante bossen met aan de horizon: Zoetermeer. Sweet Lake City, noemde onze aardrijkskundeleraar deze suburb van Den Haag altijd.
In het noordoosten en wederom het noorden wordt de achtergrond gedomineerd door de skyline van Den Haag. Daar studeerde ik aan de Bibliotheekacademie. Maakte er vrienden en probeerde ik volwassen te worden.
Ik steeg omhoog en overzag mijn verleden. Het moment om weer af te dalen. Het waren andere tijden. Terug naar de onze.
 
 
 
 
 

donderdag 10 september 2015

Het grote vergeten is begonnen


In zijn boek De Heimweefabriek, vertelt Douwe Draaisma over de (onlangs overleden) neuroloog Oliver Sacks. Bij het schrijven van zijn autobiografie, tegen zijn zestigste, ontdekte Sacks een curieus verschijnsel. Spontaan en ongevraagd kwamen bij hem allerlei herinneringen uit zijn jeugd bovendrijven die vijftig jaar hadden gesluimerd. En niet alleen herinneringen, hele geestesgesteldheden, ideeën, sferen uit de tijd toen hij tiener, begin twintiger was.
 

Zeeuwse dame

De opvatting dat herinneringen in de loop van je leven vervagen, blijkt niet te kloppen. Juist je kindertijd en de periode rondom je twintigste, blijken bij het ouder worden veel helderder voor je geest te komen. Het wordt het reminiscentie-effect genoemd. Draaisma haalt een honderdjarige Zeeuwse dame aan die nog elke week moet denken aan de watersnood. Van 1906 wel te verstaan. Het moet een lokale gebeurtenis zijn geweest die op haar, als klein meisje, veel indruk heeft gemaakt. De watersnoodramp van 1953 is bij haar flink weggezakt. Ze weet zich er eigenlijk niet veel meer van te herinneren.
 
Mijn geboortestad Delft, zal ik me dus altijd wel blijven herinneren...
 

Vage middelbare leeftijd

Zou je als tachtigjarige het levensverhaal over jezelf beginnen te schrijven, en mag je maar 100 bladzijden gebruiken, heb je dikke kans dat je het uitgebreid over je jeugd hebt en de tijd dat je twintig was. Bij bladzijde 70 ben je nog niet verder gekomen dan je dertigste levensjaar en de rest van de 30 bladzijden raffel je er doorheen omdat je je middelbare leeftijd niet goed meer voor ogen hebt.

Ik ben nu zevenenveertig. Alles wat ik dus nu beleef, zal nog maar vaag te herinneren zijn als ik bejaard ben. Het grote vergeten is begonnen. Als ze aan me vragen over Noorwegen, dan zal ik mij de vakantie van 1991 (toen ik 23 was) levendig en gedetailleerd kunnen herinneren. We voeren met de Peter Wessel van Denemarken naar het Noorse Larvik en verbleven bij het dorpje Herefoss. Een geweldige tijd!

Als ze dan opmerken dat ik in 2015 ook in dat Scandinavische land ben geweest, antwoord ik: “Jaa, inderdaad. Was dat 2015? Waar logeerde ik toen ook al weer? Werkelijk geen idee. Ik geloof dat ik toen de fjorden heb bezocht. Stavanger. Oh nee, dat was in 1991.”

Een deprimerende gedachte. Alles wat ik nu beleef, zal niet goed beklijven in mijn grijze massa. Tenzij ik er zoveel mogelijk van opschrijf. Of hulp krijg van social media.

De tijd zal het leren.

 

woensdag 22 oktober 2014

Mijn aller-vroegste vakantieherinnering


Bossen, een speeltuin, een hele grote zandverstuiving. Mijn aller-vroegste vakantieherinnering ligt in Maarn, midden op de Utrechtse Heuvelrug. Afgelopen zaterdag wandelden we van Driebergen naar Maarn en moest ik daar weer even aan denken.

Het moet juni 1972 zijn geweest. Ik was net vier. Mijn moeder was zwanger: mijn zus was in aantocht. De herinnering bestaat uit flarden. Een huisjespark. Eigenlijk een bungalowterrein, maar mijn vader en moeder hadden het over een huisjespark. Daar bij lag een maïsveld. Ik wist niet wat maïs was.
"Daar maken ze maïzena van," verklaarde mijn moeder. Of ik het begreep?


 

De attractie van het huisjespark was de speeltuin en met name de glijbaan. Ik vraag me af of het vakantieverblijf een zwembad had, hoogstens een poedelbadje. Ik kon overigens nog helemaal niet zwemmen.

Er waren twee trekpleisters in het dorpje Maarn. De viaducten onder het spoor en de snelweg was er één. Dat galmde zo leuk als je er doorheen liep en schreeuwde. En de zandverstuiving net naast het dorp (De Koeheuvels). Een zandbak in het kwadraat, wat wilde je als kind nog meer?

We maakten een fietstocht naar de Pyramide van Austerlitz. Ik zat voorop de fiets van mijn vader. Onderweg verloor ik mijn teddybeer die de excursie ook mocht bijwonen. Een groot drama! Gelukkig vonden we de onfortuinlijke knuffel enkele tientallen meters terug langs het fietspad. Die Pyramide viel tegen: slechts een beboste heuvel met een toren. Dat klopt ook, want pas in 2007 is dit monument, dat ooit door het Franse leger aan het begin van de 19de eeuw werd opgericht, weer geheel gerestaureerd.
 
De Pyramide anno 2014

 

Mijn zwangere moeder moest tijdens die vakantie wel wat pech verwerken. Tijdens een fietstocht kwam ze ten val. Haar knie bloedde en ze was vreselijk van streek, doodsbenauwd dat mijn ongeboren zusje iets was overkomen.
Op een dag maakten we een tochtje met de trein, toen mijn moeder op het station van Maarn bij het instappen klem kwam te zitten tussen de deuren. Foutje van de conducteur.

Mijn zusje overleefde ook deze aanslag.
 

Al met al best veel herinneringen van een vierjarige aan die vakantie van lang geleden.

dinsdag 6 september 2011

Een dierbaar plekje

De laatste paar maanden heb ik al twee keer gedroomd over mijn ouderlijk huis. Het huis in Rijswijk is in mijn dromen vervallen tot een ruïne die toch – en dat is het gekke – wel zijn charme heeft behouden.
Tweeënhalf jaar geleden verhuisden mijn ouders naar een verzorgingshuis en werd het huis dat mijn vader een halve eeuw terug liet bouwen verkocht. Mocht er ooit een openluchtmuseum van mijn leven worden ingericht, dan zou ik louter door herinneringen en gedachten die ‘lieve oude woning’ – zoals Willeke Alberti dat zo mooi zingt – kunnen laten reconstrueren met alle meubelen van toen er nog in. De vele foto’s die er van zijn, zouden het huis nog verder completeren.
Voetballen of tennissen met mijn zus op het grote grasveld achter, kruipen tussen de bessenboompjes en fantaseren dat je in een bos bent. De zolder stond vol ontdekkingen: afgedankte meubelen, vreemde voorwerpen en dozen met oude boeken en tijdschriften.

Op de eerste foto is de keuken te zien waar mijn moeder de heerlijkste gerechten maakte en waar de aalbessenoogst werd verwerkt tot rodebessenjam.
De andere foto toont het fietsenschuurtje. Een bouwpakket uit een tuincentrum dat we begin tachtiger jaren in elkaar knutselden. Na dertig jaar had de natuur het bouwwerk overgenomen en slechts op foto’s en in mijn hoofd zal het altijd een onderkomen blijven voor fietsen, tuinstoelen en gereedschap.

Ik weet het. Niets is hier blijvend. We are only visiting this planet.
Toch lag hier de kiem van mijn leven. Een warm gevoel, een dierbaar plekje. Ik doe mijn ogen dicht en ik zal er altijd mijn weg weer vinden.

zondag 19 juni 2011

Gewoon weer lekker spelen!

Zoals ik al in mijn allereerste blog schreef, is Nicolien speltherapeute. Als wij volwassenen problemen hebben kunnen we daarover praten, maar kinderen uiten zich veel beter tijdens het spelen. Bij speltherapie probeert Nicolien doormiddel van het spel problemen, verdriet en zelfs trauma’s bij kinderen te behandelen.
De spelkamer is het domein waar het allemaal gebeurt en moet voor menig kind een speelgoedparadijs zijn. Poppen, blokken, autootjes, ridderkastelen, verkleedkleren, een zandbak, een poppenhuis, knutsel- en tekenmaterialen… het is er allemaal.

Mijn spelen is leren, mijn leren is spelen, schreef Hieronymus van Alphen in de 18de eeuw al. En hoewel een uitspraak als Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken eigenlijk in de vitrine hoort van het Museum voor Achterhaalde Opvattingen, was deze dichter – van onder andere Jantje zag eens pruimen hangen – toch zijn tijd ver vooruit.

Hoe zag de spelkamer van mijn eigen jeugd er eigenlijk uit? Ik bouwde hele wolkenkrabbersteden van blokken en liet autootjes over hoge viaducten rijden. Lijkt wel wat op de Chinese steden anno nu. Met mijn zus speelde ik eindeloos veel met poppen en speelgoeddieren. Geen zoetsappig ‘vadertje en moedertje’. Nee, de speelgoedbeesten beleefden complete Indiana Jones-achtige avonturen. Het decor was het ouderlijke huis. Een tafel werd een paleis, de poten pilaren. De vensterbank met planten: een oerwoud, de trap was een berg. Een omgekeerde schoenendoos…een boot. Nicolien zegt het ook altijd: “Hoe eenvoudiger het speelgoed, hoe creatiever het kind.”

Op de foto’s zie je het speelgoed uit mijn jeugd. Blokken en Playmobil én een aantal speelgoedbeesten poserend tijdens een fotoshoot. Het eekhoorn-achtige wezentje links op de eerste sport van de ladder heet bijvoorbeeld Bruine Miauw. Waarschijnlijk omdat ik als kind dacht dat het een poes was.
Mijn spelen is leren, mijn leren is spelen.
Misschien moeten we als volwassenen wat minder gaan piekeren en tobben, maar gewoon weer lekker gaan spelen.